De heelkundige vooruitgang

Heelkunde genoot lange tijd weinig aanzien en werd beoefend door barbier-chirurgijnen. Ambroise Paré gaf heelkunde een nieuwe status. Het Hospitaal Notre-Dame à la Rose beschikt over een opmerkelijke collectie trepanatie instrumenten, die de technische ontwikkeling van het vakgebied illustreert.

Driepoot

Deze driepoot dateert uit de 18de eeuw en diende voor trepanaties. Dit type toestel werd reeds in 1517 beschreven door H. von Gesdorf. De drie poten rusten op de schedel terwijl de boorkop kon zakken tot het beschadigde bot. Het werkte als een soort krurkentrekker.

Instrumententas uit de 18de eeuw

Trepanatie is een vrij oude techniek, die waarschijnlijk teruggaat tot de prehistorie. Egyptenaren waren ruim 2000 jaar voor ons jaartelling goed vertrouwd met de techniek. Er werd een botluik gemaakt op de hersenen van zenuwzieke patïënten te onderzoeken. De instrumententas van het hospitaal is één van de zeldzame exemplaren die nog in België te vinden zijn. Ze dateert uit de 18de eeuw en bevat nog alle nodige instrumenten : schedelboor, omslagboor, kleinere boortjes, een soupele zaag om de kap te verwijderen.

Verwijderen van blaasstenen

Deze ‘goedaardige’ operatie was uiterst pijnlijk voor de patiënt en veroorzaakte de nodige infecties en complicaties.

Amputaties

Amputatie was vaak de enige mogelijke behandeling bij ernstige kwetsuren, infecties of koudvuur. De slaagkansen lagen niet hoger dan 30 tot 35% in de 18de eeuw. Een handige chirurg kon een arm of been zagen en hechten in 2 tot 3 minuten. Het hart van de patiënt zou een langer durende operatie niet hebben doorstaan. Een amputatie vergde behoorlijk wat vaardigheid en koelbloedigheid van een chirurg. Amputatie vormde een laatste toevlucht voor patiënten met koudvuur. De pijn doorstaan tijdens de operaties en het risico op infectie waren namelijk gevaarlijk hoog.

“Grangerelt” instrumententas

Dit schitterende etui van de Keizerlijke Napoleontische Wacht illustreert de medische en chirurgische praktijken die in gebruik waren tijdens de militaire campagnes onder de heerschappij van Napoléon. Let op het opschrift “Grangerelt à Paris” alsook de gekroonde “H” die we zowel op de messen als de zaag aantreffen. Deze stempel verwijst naar een familie van “Meesters mesfabrikanten”, de familie Grangerelt, die een winkel had in de rue Saints-Pères in Parijs. Ze genoten keizerlijke erkenning.
Aangezien Dominique-Jean Larrey werd benoemd als hoofdchirurgijn binnen de Keizerlijke Wacht, zou het geloofwaardig zijn dat dit etui in het begin van de 19de eeuw deel uitmaakte van het werkgerei van deze virtuoze chirurg. Larrey zal later ook aan de oorsprong liggen, vanaf 1792, van “vliegende” ambulances: kleine mobiele wagens getrokken door een span paarden.

Anaesthesiemasker

Dit toestel, de Dupuy de Frénelle, dateert uit de jaren 1920. Een druppelaar geeft ethylchloride vrij, al dan niet gemengd met ether of chloroform. Men kon een gasmengsel op punt stellen door tot drie verschillende ampullen op het masker te bevestigen. Met dit toestel kon men de druppels verdovingsmiddel controleren dankzij verschillende glazen doorkijken en hun debiet regelen aan de hand van een kraantje.

Een tekening in de tempel van Kom Ombo (300-80 BC) getuigt van het begruik van verdovende middelen door de Egyptenaren. Ze weekten een spons in een mengsel van opium, mandragoor en bilzenkruid. Sommige patiënten stierven helaas aan een overdosis. Deze voorvallen deden de wetenschap geen goed: verdoving werd als hekserij beschouwd en het toedienen ervan lange tijd verboden. Later werd brandewijn als verdoving gebruik. Twee tot drie assistenten hielden de patiënt in bedwang tijdens de operatie. In 1839 verklaart Velpeau, de befaamde chirurg :’Pijn tijdens operaties vermijden is een hersenschim’. Drie jaar later ondergaat een eerste patiënt een operatie (verwijderen van een tumor in de hals) onder narcose. Eerst gebruikt men ether en vervolgens chloroform.

Carbolzuurverspreider

J. Lister gaat als eerste praktische conclusies trekken uit het theoretische werk van Pasteur: alle microben die in contact kunnen komen met de operatiewonde moeten worden uitgeroeid.
Vanaf 1862 wordt het gebruik van carbolzuur aangeraden om de omringende lucht alsook de wonde en de instrumenten te ontsmetten.

Autoclaaf

Autoclaven verschijnen in 1880 en steriliseren instrumenten onder een bepaalde temperatuur en druk. Staal is ideaal voor het maken van instrumenten, het is sterk en verdraagt hoge temperaturen. Deze autoclaaf, ontworpen door Le Mare in het midden van de 19de eeuw, dient om chirurgische instrumenten te steriliseren.
Water wordt onderaan de autoclaaf opgewarmd zodat de instrumenten gedurende 12 uur in een bad van kokende en ontsmettende stoom weken.
Noteer de aanwezigheid van een uitrusting om gesteriliseerd water terug te winnen.

Ondanks hun kennis en vaardigheid zijn de inspanningen van de chirurgen vaak ontoerijkend. De overlevingskansen van de patiënt blijven laag. De bijzonder pijnlijke ingreep en de optredende infectie eisten hun tol. Dankzij de volgende ontwikkelingen wordt het tij gekeerd:

  • Narcose (1846) ;
  • Antisepsis (1867) ;
  • Asepsis (1878),

les chirurgiens pourront alors enfin donner la pleine mesure de leurs compétence et savoir-faire. Les collections du Musée illustrent aussi parfaitement cette évolution essentielle dans le monde chirurgical (et médical).

Boîte à instruments pour stérilisation

L’asepsie, qui consiste à prévenir les éventuels germes en stérilisant vêtements, équipements et autres objets, est née vers 1890, de l’antisepsie. On peut citer des initiateurs comme l’écossais William Macewen (1848-1924) et le berlinois Ernst von Bergman (1836-1907). A l’origine, on se contenta de bouillir tous les objets ; sous l’impulsion de Pasteur, de Terrillon et de Terrier, on ne tarda pas à inventer divers types de stérilisateurs où la température pouvait être portée à 130°C et au-delà.

Stéthoscope type “Laennec”

Il s’agit d’un stéthoscope. Une charmante légende veut que le physicien français René-Théophile-Hyacinthe (1781-1826) Laennec en ait eu l’illumination, alors que, se promenant dans les jardins du Palais Royal à Paris, il observait 2 enfants occupés à se transmettre un message en parlant d’un côté d’une planche que l’autre tenait contre son oreille. “Je présumai”, écrit Laennec, “que ce moyen pouvait être applicable non seulement à l’étude des battements du coeur, mais encore à celle de tous les mouvements qui peuvent produire du bruit dans la cavité de la poitrine et, par conséquent, à l’exploration de la respiration, de la voix, du râle, et peut-être même de la fluctuation d’un liquide épanché dans les plèvres ou le péricarde…”. La première auscultation avec un stéthoscope de papier eut lieu le 16 septembre 1816. Très vite cependant, le bois remplace le papier. Les premiers stéthoscopes s’étant révélés encombrants, Laennec eut l’idée de les construire en 2 parties qu’on pouvait aisément transporter dans une poche de redingote. Ce stéthoscope en acier de l’Hôpital Notre-Dame à la Rose date du 19e siècle.

Le polarimètre

Il s’agit d’un polarimètre du 19e siècle, conservé à l’Hôpital Notre-Dame à la Rose de Lessines. Très tôt, l’examen des urines a constitué pour le médecin l’une des bases de son diagnostic: la couleur, l’aspect plus ou moins trouble révèle l’une ou l’autre pathologie. Le nom de diabète “mellitus” remonte au 16e ou 17e siècle, lorsque le docteur Thomas Willis, médecin personnel du roi Charles II d’Angleterre, décrivit l’urine diabétique comme “merveilleusement sucrée comme si elle était imprégnée de miel ou de sucre”. A l’époque, le diabète sucré était identifié en goûtant les urines: le médecin payait de sa personne. L’invention et la mise au point du polarimètre en 1815 par Jean-Baptiste Biot constitua donc un progrès indéniable. En effet, cet appareil de la famille des spectroscopes permet de doser la quantité de glucides en solution dans l’urine en fonction de la quantité et du type de lumière absorbée ou qui a pu traverser la préparation. Le problème essentiel de ce type de polarimètre fut longtemps son étalonnage.

L’oscillomètre de Pachon

En outre de la mesure des pressions artérielles Maxima et Minima, l’Oscillomètre de Pachon est donc en raison de ses qualités physiques, spécialement adapté à la mesure des oscillations ou pulsations artérielles. Grâce à lui s’est ouvert pour le clinicien un nouveau champ d’informations: l’Oscillométrie. En continuant les décompressions successives, on verra apparaître une série de pulsations de plus en plus grandes. Le médecin pourra étudier les divers caractères du pouls: sa forme, son rythme, son amplitude. Il pourra noter la valeur de l’oscillation la plus grande dénommée “l’Indice Oscillométrique” dont on connaît l’importance pour le diagnostic d’une artérite ou d’un angiospasme, les troubles de la circulation périphérique, ceux de la perméabilité artérielle, les anévrismes, les gangrènes, les hématomes, les aortites, ou encore pour l’étude des troubles fonctionnels vaso-moteurs d’ordre nerveux ou humoral.

Le microscope de Culpeper

Ce microscope de Culpeper date du 18e siècle. Pendant très longtemps, les théories d’Hippocrate et de Galien ont prévalu, en partie à cause d’un manque de moyens permettant l’examen de l’infiniment petit. Ce sont des “humeurs” qui circulent en vous, et dont le dérèglement est à l’origine de tous les maux. Mais quels sont les réels éléments constitutifs de ces “humeurs”? La compréhension va s’affiner avec la découverte du microscope par l’opticien hollandais Antoine Van Leeuwenhoek (1632-1723). Cette invention permet l’identification des globules rouges et du sperme, et ensuite des vaisseaux capillaires (par Marcello Malpighi, 1663-1694). C’est l’Allemand Johannes Müller (1801-1858), l’un des plus grands physiologistes et également philosophes, qui inaugura l’étude microscopique des tissus et des cellules malades, que l’on appelle “pathologie cellulaire”.

© 2017 Hôpital Notre-Dame à la Rose | Design : Bzzz